omslagconcours2

De desillusie van medailles

Concours gekonkel

Heb je ooit een wijn gekocht omdat er een bronzen, zilveren of zelfs gouden medaille op zat van een willekeurig concours in Frankrijk? Nooit meer doen! Het maakt niet uit welk concours het was, je kunt beter op de smaak van de hond van de buren vertrouwen dan op de medaille. Eind januari was Job in Angers voor de Salon de Loire en mocht aanzitten als jurylid voor het concours van Ligers.

 

Natuurlijk kijken we al jaren met scepsis naar soortgelijke concoursen en vooral de medailles die op flessen zitten, maar toch denk je ergens ‘het zal toch niet voor niets zijn’… Wel dus. Om te beginnen zijn er iets van 600 producenten die wijn insturen en vaak meer dan 1 wijn. Er zijn dus heel veel verschillende juryleden verdeeld over heel veel verschillende mini-jury’s die elk 20 tot 30 wijnen beoordelen. Heel veel mensen met heel veel verschillende smaken en belangen. En kunde. Aan mijn tafel zat een jurylid dat ooit wijnbouw had gestudeerd en nu met landbouwmachines werkte. Geen dagelijkse ervaring met wijn dus. Dit was de voorzitter van onze jury. Een ander jurylid had ooit een wijnhandel gehad, maar deed er eigenlijk ook niets mee en nog een jurylid was een studente toerisme die nog nooit een fatsoenlijk glas wijn geproefd had. En daar zat ik bij met mijn gebrekkige Frans en de bijna onmogelijkheid goed uit te kunnen leggen wat ik bedoel.

 

12745890_736717436430122_8278253113089664100_n

 

‘Kurk!’

Ons tafeltje was verantwoordelijk voor een aantal witte Anjou wijnen en een aantal droge rode. Chenin en Cabernet Franc dus. We begonnen met wit en spraken af de eerste drie wijnen te proeven en gezamenlijk te bespreken om tot een eenduidige aanpak te komen. We schreven per wijn onze bevindingen en gaven scores van 1 tot 20. Toegegeven, het glaswerk dat gebruikt werd, was goed … so far so good. Elk jurylid had een veto, dus als iemand een wijn afkeurde, was het gedaan. Bij de eerste wijn ging het al mis. ‘Kurk!’, riep de ex-winkelier. En ook ik was niet enthousiast over de wijn die werd gekenmerkt door een ouderwetse stoffigheid die wel meer in matige Loire wijnen te vinden is. Een tweede fles kwam op tafel. Precies hetzelfde, maar de ex-winkelier heeft de tractorbouwer overtuigd dat deze wel iets beter was, doch dat de wijn toch echt niet door mocht op het concours. Marco, Trijntje en Anouk zouden hun stoel er niet voor omgedraaid hebben. De volgende wijnen gaven ook niet bepaald een halleluja gevoel, maar ze werden in elk geval niet van infectie beticht.

 

Rondsjokkende EHBOers

Toen kwam wijn acht. Anjou kan net zo divers zijn als de Elzas met gradaties van gortdroog tot mierzoet. De voorzitter bleek op papier een zoetje over het hoofd te hebben gezien. Tot nu toe was de opbouw goed, we begonnen lekker fris met schrale (onrijpe) zure wijnen, maar voor de laatste vijf wijnen was onze smaak verpest. Door teleurstellende homogeniteit werd ik afgeleid en viel mijn oog op de drie rondsjokkende EHBOers. Was men angstig dat de juryleden spontaan neervallen door de dramatische kwaliteit?

 

1911722_736717443096788_5048865589662210247_n

 

‘Opeens had die zure rommel dus een zilveren medaille’

Aan het einde van de serie witte wijnen legden we onze scores naast elkaar om tot een gemiddelde te komen. De puntentelling was niet te volgen. Van de 20 maximaal te behalen punten waren er drie voor hoe de wijn eruit zag. Zolang deze maar helder en transparant was, had je de drie punten dus al binnen. Vervolgens kon je punten geven aan geur en smaak en dan nog drie voor de balans in de wijn. Voor hoe goed een wijn in elkaar zat (wat mij betreft toch het belangrijkst in een wijn) kreeg je dus evenveel punten als voor de nietszeggende kleur. Net zo verbazend als de puntentelling waren de becijferingen en de omschrijvingen door andere juryleden. Van een schrale wijn werd gezegd dat de wijn ‘op zijn mineraliteit’ is gemaakt, een strakke wijn was zogenaamd ‘eerlijk’ en een technisch opgepompte en a-typische wijn werd ‘aangenaam soepel en toegankelijk’ genoemd. Ik kreeg sterk de indruk dat de voorzitter betaald werd voor een zo hoog mogelijk aantal medailles. Of ik mijn cijfer zou willen herzien en opschalen. Ik ging er een beetje in mee, maar door mijn 13 punten kreeg de wijn een gemiddelde 14,52 en daarmee werd ‘ie afgerond naar 15. Opeens had die zure rommel dus een zilveren medaille. Het lijkt de zesjescultuur van Balkenende wel. Met net voldoende mag je al ontzettend trots zijn. Ondanks dat ik in een verleden diplomatie heb gestudeerd, bleek de juryvoorzitter zo nu en dan de diplomaat terwijl ik me als arrogante Fransman opstelde. Toen ik aangaf dat de wijn niet te hachelen was en dat de toegevoegde gisten de fouten in de wijn maskeerden, vertaalde de voorzitter dat als ‘goed gemaakt’. Om mij tevreden te stellen keurde hij hem wel af omdat de wijn niet typisch voor de appellatie zou zijn. Dat de tot diplomaat gegroeide tractormonteur ook zijn vooringenomen mankementen had, bleek toen hij de wijnen uit de appellatie ‘Touraine Amboise’ niet eens wilde ruiken. Het kon toch niets zijn volgens hem en zo kwamen de wijnen niet eens aan de orde. Ook moest men in rode Anjou geen serieuze wijnen zoeken. Op voorhand dus geen gouden medailles voor de rode wijnen. Treurig voor de boeren die met hun kwaliteit wel boven het maaiveld uit willen steken.

 

Belabberde kwaliteit als maatstaf

Het concours deed me inzien hoeveel dramatische kwaliteit er nog steeds gemaakt wordt en hoe een medaille dus totaal niets zegt. Het lijkt een vicieuze cirkel van kwaliteit en van de middenmaat. Wijnboeren die iets belabberds maken willen erkenning dat ze toch wat kunnen, dus sturen ze hun wijnen op. Vervolgens wordt de belabberde kwaliteit de maatstaf. Boeren die echt iets interessants maken sturen hun wijnen toch niet op. Natuurlijk, er zijn ook wijnen die een medaille krijgen en wel interessant of goed zijn, maar om voor die uitzonderingen nu zo’n groot festijn voor te organiseren?